Ze zitten er sinds eind augustus. Of misschien ook al langer, maar ik zag ze voor het eerst toen we van een lange zomervakantie terugkwamen en de kinderen weer bijna naar school gingen.
Twee nieuwe buurtgenoten. Een man en een vrouw. In welke verhouding ze tot elkaar staan, is nog niet zo gemakkelijk te raden. Mijn eerste indruk was dat ze moeder en zoon zijn. Maar voor hetzelfde geld zijn ze een stel, geliefden. Keurige types.
Hij lijkt jonger dan zij. Een behoorlijk grote, slanke man met zeer lange, donkere haren. Een baardje, bijna hip. Warme jas, stevige schoenen, dikke truien. Schuwe bruine ogen. Hij ziet er bleekjes uit.
Zij is een stuk kleiner. Ook lang haar, zwart gemêleerd met wit. Soms maakt het een vettige indruk, misschien draagt ze het daarom af en toe in een vlecht. Haar kledingstijl is ongeveer dezelfde als die van haar metgezel. Nogal mannelijk, sombere kleuren, met veel laagjes over elkaar.
Allebei houden ze van lezen: kranten, tijdschriften, boeken.
Ze eten uit tupperware-bakjes. Daarbij gebruiken ze bestek. Ze lepelen het voedsel rustig naar binnen - het lijkt vaak soep te zijn. Dan zitten ze naast elkaar, op hun hurken met hun rug tegen de muur.
Het komt nooit voor dat ze gezamenlijk op pad zijn. Er is dus altijd iemand thuis, maar toch krijgen ze nooit bezoek. Geen vrienden of familieleden die even langskomen. Wie weet maakt er weleens een buurtgenoot een praatje – ik kan natuurlijk ook niet alles bijhouden.
Ze slapen samen. Verticaal, nooit horizontaal. Altijd tegen elkaar aan. Hoewel ze overdag ook in hun eentje zitten te dommelen. Dan halen ze slaap in die ze ‘s nachts tekort zijn gekomen.
Ik ken deze twee mensen niet, en toch weet ik al die persoonlijke dingen van ze. Daarvoor hoef ik weinig moeite te doen, of anders gezegd: ik kan het ook niet helpen. Ik zie het gewoon. Ze wonen in een telefooncel.
Een glazen telefooncel.
Eigenlijk zijn het drie aan elkaar geschakelde cellen, drie kleine cabines met in elk een telefoon. Het doorzichtige geval staat op een enorme vluchtheuvel waarop ook een openbaar toilet is geplaatst. Wel zo handig, een toilet naast de deur.
De twee hebben één van de cellen in gebruik genomen. Heel bescheiden eigenlijk, dat ze de andere niet bezetten. Want wie heeft er tenslotte nog een openbare telefoon nodig? Soms, heel soms, staat er iemand in een van de aanpalende cellen te bellen. Een bizar gezicht. Niet omdat het iets uit een lang vervlogen tijdperk is, maar omdat het accentueert dat er daarnaast in een telefooncel gewoond wordt. Je ziet iemand staan bellen, en je ziet twee mensen zitten wonen.
Al hun spullen hebben ze opgestapeld. Het ziet er geordend uit. Veel bezittingen bewaren ze in een zwarte rolkoffer. Daarbovenop liggen slaapzakken en dekens. ’s Nachts trekken ze die over zich heen, met als extra laag een stuk van die glinsterende folie, die bij rampen wordt gebruikt om slachtoffers warm te houden.
Ik heb het zelf gezien. Het lukt niet om niet te kijken, al probeer ik wel discreet te zijn en niet te staren. Maar het is te confronterend, te ongelofelijk. Zij zitten daar op dat drukke punt, en wij buurtgenoten komen er langs op weg naar de groenteboer of naar de wekelijkse zwemles. En we weten dat zij lang niet de enigen zijn die in een telefooncel wonen.
Een doorzichtig huis van anderhalve à twee vierkante meter. Gratis, dat wel. In Parijs betaal je voor een vierkante meter gemiddeld meer dan achtduizend euro.


waar. Mijn gevoel sloeg om, van gêne naar trots.