‘Ik ben moe. Deze hitte is gewoon niet te doen in Parijs, eigenlijk in geen enkele stad. Als het dit soort weer is, wil ik maar één ding: met vakantie gaan. Maarja, er moet nu eenmaal worden gewerkt.’
Deze steunende en kreunende woorden hoorde ik vanmiddag in de kantoorboekhandel. Ze kwamen niet uit de mond van een klant, nee, het was de eigenaresse zelf die ze uitsprak.
Vijf minuten later, bij de bakker: ‘Het is heet, hè?’ Dit keer is de bakkersvrouw aan de beurt.
De twee vrouwen hebben natuurlijk helemaal gelijk, het is loeiheet in de stad. Ik weet niet of we kunnen spreken van een hittegolf, daarvoor moet het dacht ik een aantal dagen achter elkaar tropsich zijn, maar het voelt al wel zo. Het was vanmiddag 31 graden, en dat is niet mis. Overal gepuf, gegaap, gezweet en gestink.
Ik zeg in winkels nooit iets over de weersomstandigheden. Uit ervaring weet ik namelijk dat zo ontzettend veel andere mensen dat al doen. Op zeker moment bereik je achter de toonbank een soort verzadigingspunt, dan kun je niks nieuws meer zeggen en dus geef je iedereen maar gewoon wat hij wil horen: ja, het is erg warm. Of koud, of nat, of droog.
Het verbaasde me daarom dat de verkopende partij zelf over het weer begon. Twee keer achter elkaar nog wel. Dan zal het wel echt heet zijn. ‘Het is nog erger dan gisteren’, zeg ik tegen de bakkersvrouw, om haar niet teleur te stellen. Even lijken de rollen omgedraaid. ‘Ja’, antwoordt ze, ‘en morgen wordt het nog erger, en donderdag nóg erger, zeggen ze.’
Aan het eind van deze week begint de vakantie. Ook in de laatste dagen maken de kinderen nog nieuwe dingen mee op school. Catharina vertelde dat haar meester zijn leerlingen had natgespoten met de plantenspuit.
En Polly zei: ‘De directrice heeft vandaag een cerf-volant gekocht.’ Een vlieger wat leuk. Maar is de achtertuin van haar schooltje daar niet een beetje te klein voor? ’Hij ging draaien, draaien, draaien en daarna werd het koud’, legde ze uit. Aha, een ventilator dus. Un ventilateur. Houd al die apparaten maar eens uit elkaar.
Nu zitten de kinderen af te koelen. De buurvrouw stelde voor om ze bij haar thuis samen met haar zoontje in een koud bad te stoppen. Leek mij een heel goed idee. Hoor ik straks tenminste eens iets anders dan: ik heb het zo warm.
